23 juni 2016

Arrestatie Syriërs na datamining (longread/popular)

Treinkaping Syrische terroristen verijdeld 

UPDATE:13 OKTOBER 2016

Inleiding
Vier Syriërs wilden in 1975 in Amersfoort een internationale trein met Russische Joden kapen, maar na een tip van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) arresteerde de Amsterdamse politie de vier terroristen.
De Syriërs werden in Hotel Neutraal op het Damrak van hun bed gelicht. Bij de inval in hun kamer vond de politie pistolen, pistoolmitrailleurs en een namaakbom, met draden en een batterij. Een terreuraanslag door vier bewapende vrijheidsstrijders van de Syrische verzetsbeweging ‘al Saiqa’ was voorkomen.
"Datamining inlichtingendiensten cruciaal bij arrestatie in Rusland opgeleide Syrische terroristen"
Buitenlandse inlichtingendiensten hadden met behulp van (signal intelligence) SIGINT  (delen van) telefoonnummers in het Midden-Oosten onderschept en deze metadata gedeeld met de BVD. Lange lijsten werden door de BVD dagelijks en handmatig vergeleken met gegevens van telefoongesprekken uit Nederland met het buitenland. Die gesprekken kwamen in 1975 nog niet geautomatiseerd tot stand, maar door tussenkomst van een telefoniste.

In dit artikel wordt een historische casus uitgewerkt waaruit blijkt dat ‘massagegevens’ en uitvoerige bemoeienis van partnerdiensten een grote rol kunnen spelen in het verhinderen van terroristische aanslagen. Niet om te beweren dat geheime diensten altijd maar vrij baan moeten hebben, maar wel om eens licht te werpen op het effect van de inzet van een ingrijpende bevoegdheid. Natuurlijk moeten we oog hebben voor de historische context – het gaat om een zaak in de jaren zeventig – maar het laat zien waartoe de inzet van enkele inlichtingenmiddelen kan leiden.
Deze verhinderde aanslag heeft interessante dingen laten zien. In de eerste plaats is uiteraard de betrokkenheid van de Sovjet-Unie. Daarnaast waren de telefoonlijsten van de Israëliërs van doorslaggevend belang om te ontdekken wie in Nederland regelmatig met het Midden-Oosten telefoneerde.
Natuurlijk kreeg de BVD hiermee ook onschuldige burgers in het vizier, die met het uiteindelijke complot niets te maken hadden. Maar het middel was wel effectief: het werd wel mogelijk om de vier samenzweerders in een hotel te lokaliseren en te laten oppakken.
Over het effect van hun werk zwijgen inlichtingen- en veiligheidsdiensten doorgaans. Ze kunnen vanwege geheimhouding geen namen en rugnummers, laat staan aantallen verhinderde aanslagen vermelden. Of de inzet van ingrijpende bevoegdheden – zoals metadata analyse en de gegevensverzameling van een groot aantal burgers – echt nodig is, blijft daardoor inherent ingewikkeld. Die vraag zal nooit makkelijk te beantwoorden zijn en het debat daarover zal altijd, in veranderende omstandigheden, opnieuw gevoerd moeten worden. Historici kunnen echter wel een tipje van de sluier oplichten over het verleden. Door onderzoek te doen naar de effecten van het inlichtingen- en veiligheidswerk, de concrete resultaten van de inzet van inlichtingenmiddelen, kunnen zij wel iets zeggen over nut en noodzaak van dit werk. Tijd dus om meer van dit soort cases te onderzoeken.





De reis naar Nederland
De vier terroristen waren in twee groepen naar Nederland gekomen.
De eerste groep bestaande uit de 34-jarige Amin Selamih en de 27 jaar oude Joseph As'ad Azar - alias: Ziad Homsi/Homcy - vertrok op 15 augustus 1975 per vliegtuig van Damascus naar Rome. Per trein reisden zij verder naar Modena. Daar werd een grijze Alfa Romeo met het kenteken MO 255182, gekocht waarmee de twee terroristen naar Amsterdam vertrokken. In Modena werden ook de wapens opgehaald bij een niet geïdentificeerde Arabier.
De tweede groep, Abdul Sattar Ahmed Ammar (24) - alias: al-Afghani - en Abdallah Mustapha Ataya (32) reisde op 31 augustus 1975 per vliegtuig van Damascus naar Boedapest en op 3 september 1975 van Boedapest naar Amsterdam.

Selamih en Azar namen hun intrek in Hotel Neutraal op het Damrak 8 in Amsterdam, met kamernummer 54. Zij kregen opdracht vanuit Damascus om op 3 september de strijdmakkers Abdullah Ataya en Abdul Satar Ammar af te halen van Schiphol. De laatste twee namen intrek op kamer 59 in hetzelfde Hotel Neutraal.

Op 4 september 1975 hielden de vier in het hotel een vergadering over de gijzeling die ze de volgende dag zouden uitvoeren. In Amersfoort wilden ze om zes over halfnegen ‘s-ochtends de laatste wagon van de Warschau Express op weg naar Hoek van Holland kapen, omdat ze dachten dat daarin Russische Joden zaten. Tijdens hun bijeenkomst verdeelden ze alvast de in Italië aangeschafte wapens; 1x handpistool Makarow, 1x handpistool Pietro Beretta en 2x machinepistool Skorpion.

De vier Syriërs, die behoorden tot de Palestijnse verzetsorganisatie ‘al Saiqa’, hadden een in het Engels en het Frans gesteld - gestencild - pamflet bij zich met eisen aan de Nederlandse regering, namens de "Eagles of the Palestinian Revolution".
De eisen waren dat Nederland Russische Joden niet langer hielp naar Israël te emigreren en dat premier Joop den Uyl in een tv-rede zijn steun zou betuigen aan de Palestijnse zaak. De Nederlandse regering werd bij niet-inwilliging van de eisen verantwoordelijk gesteld voor het lot van de gijzelaars.

Arrestatie in Amsterdam
Wat de terroristen niet wisten was dat de Nederlandse autoriteiten hen al in het vizier hadden. Nog voordat ze naar Amersfoort konden vertrekken, werden ze in de nacht van 4 op 5 september in de boeien geslagen. Het hotelpersoneel had vooraf nauwkeurige beschrijvingen gegeven van het uiterlijk van de gasten en de indeling van hun kamers. Het arrestatieteam ging razendsnel te werk. Voordat de Syriërs maar een reactie konden bedenken, waren ze al overrompeld. Een van de agenten zou zelfs vanaf de kamerdeur in één zweefduik op het bed van de Syriërs zijn gedoken.

Enkele uren later in de morgen van 5 september 1975, tijdens een zogeheten Aurora-bijeenkomst, die elke dinsdag en vrijdag plaats vond in de kamer van het hoofd van de BVD, deed het plaatsvervangend diensthoofd Hans Neervoort, de triomfantelijke mededeling dat de Amsterdamse politie dankzij informaties van de dienst een Palestijnse terroristische actie had weten te voorkomen.

Mossad en NSA schieten BVD te hulp
Nederland kon voortijdig ingrijpen dankzij de oplettendheid van de Amerikaanse National Security Agency (NSA) en de Israëlische Mossad, die contacten tussen West-Europa en het Midden-Oosten scherp in de gaten hielden, onder meer via luisterposten in de regio. De NSA en de Mossad waren gespitst op Palestijns terrorisme sinds de bloedige aanslagen op Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München in 1972.
Uit allerlei voor- en nabeschouwingen over de Oktoberoorlog van 1973 wordt duidelijk dat de Israëliërs beschikten over ingenieus werkende afluistersystemen. Op de berg Hermon bijvoorbeeld, op de Golan-hoogvlakte bij Mitzpe Shlagim ("Snow Lookout") werd dataverkeer geïntercepteerd.

In het NRC Handelsblad van 21 november 1998 beschrijven Cees Wiebes en Bob de Graaff hoe de BVD verschillende keren hulp kreeg van de Amerikaanse CIA. Ten tijde van de gijzeling van de Franse Ambassade door leden van het Japanse Rode Leger in 1974 in Den Haag stelde de CIA een ruimte tegenover de Franse ambassade en middelen ter beschikking. Er werd een camera gericht op de Franse ambassade en er werden richtmicrofoons gebruikt om de gesprekken tussen de gijzelnemers op te kunnen vangen. Verder stelde de CIA afgeluisterd berichtenverkeer van de National Security Agency (een Amerikaanse inlichtingendienst) beschikbaar. Toen de BVD niet in staat bleek om uit de afgetapte berichten telefoonnummers uit het Midden Oosten te vissen, deed de CIA dat zelf binnen enkele uren.

Datamining
Na de Olympische Spelen in München spraken veiligheidsdiensten af meer samen te werken om nieuw onheil te kunnen voorkomen. Op het hoofdkantoor van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) kwamen per telex dagelijks lijsten binnen met telefoonnummers van verdachte personen en organisaties in het Midden-Oosten. In een tijd zonder vergevorderde automatisering vormden die gegevens hooguit het ruwe materiaal voor een ingewikkelde aanpak van mogelijke terroristen. Deze prille vorm van datamining, het speuren naar de potentieel gevaarlijke contacten, was het zoeken naar een speld in een hooiberg.

PTT belangrijke partner BVD
Het spoor naar de vier Syrische terroristen dankte de BVD ook aan de PTT.
Op een paar honderd meter afstand van Hotel Neutraal aan het Damrak, in het PTT-gebouw achter het Paleis op de Dam, aan de Nieuwezijds Voorburgwal 182, hoek Raadhuisstraat en Spuistraat, zat de centrale waar in die tijd nog alle gesprekken met het buitenland moesten worden aangevraagd.
Gegevens van gesprekken met het Midden-Oosten werden overgezet op ponskaarten. Die vergeleek de BVD met door collega-diensten aangeleverde nummers van verdachte personen en organisaties. Op die manier werd duidelijk dat er vanuit Hotel Neutraal was gebeld met verdachte contacten in het Midden-Oosten.

In het boek van historicus Dick Engelen “Frontdienst” staat uitgebreid te lezen hoe de BVD in de zeventiger jaren van de 20e eeuw lange lijsten met data afkomstig uit het buitenland dagelijks en handmatig vergeleek met PTT-gegevens van telefoongesprekken gevoerd vanuit Nederland.
Niemand kon toen vermoeden dat veertig jaar later de ontwikkelingen in de wereld op het gebied van dataverzameling die vlucht zou nemen die het heeft gedaan. De techniek heeft ervoor gezorgd dat het opvragen van data min of meer ‘de gewoonste zaak van de wereld’ is en alleen nog de meest fervente vechters voor privacy kan verontrusten. Na het eerste decennium van de 21e eeuw is het vanzelfsprekend om in het kader van terrorismebestrijding samenwerking te signaleren tussen ‘geheime’ diensten en telecomproviders.

Bronbescherming bijna fataal
De samenwerking tussen BVD en PTT was in 1975 zo geheim dat voor deze operatie als geheel zelfs een codenaam was bedacht. De codenaam beschermde niet alleen de bron(nen), maar eveneens de nationale en internationale samenwerking - ook wel modus operandi genoemd. Die bronbescherming gaf de nodige problemen bij de noodzakelijke exploitatie van gegevens richting Justitie, politie en het Openbaar Ministerie. De (Hoofd-)officier van Justitie wilde tegen mogelijke terroristen wel actie ondernemen, maar op grond waarvan? In ieder geval niet op grond van anonieme bronnen bij de BVD.

Bij een ingelast bezoek door de Amsterdamse vreemdelingendienst aan Neutraal bleek tijdens een controle van de administratie dat er ‘vier Arabieren’ met Syrische paspoorten logeerden. De hotelier vertelde dat er inderdaad was gebeld met buitenlandse nummers en dat de betreffende mannen op dat moment niet aanwezig waren. Het verzoek van de politie om even op de kamer te mogen kijken werd ingewilligd. Daar werden de wapens toen al gevonden, maar om de Syriërs te kunnen arresteren moesten ze blijven liggen. Tot het moment van de inval bleef de politie het hotel observeren.
Het op zich volstrekt logische bezoek van de Amsterdamse vreemdelingenpolitie aan de hoteleigenaar van Neutraal was een gouden greep. De politie kon na verkregen informatie van de eigenaar een proces-verbaal indienen bij Justitie, die vervolgens tot arrestatie kon overgaan.
In het boek van journalist Siem Eikelenboom "Niet bang om te sterven" staat ook dat er voorafgaande aan de arrestatie van de vier Syriërs een tip van de BVD bij de politie was binnengekomen. De BVD schrijft hierover in een editie van “PANORAMA” die de periode van 1 april tot 1 oktober 1975 behandelt:

“Dankzij informaties van de Dienst afkomstig, kon de Amsterdamse Politie op 5 september 1975 overgaan tot de arrestatie van vier op Syrische paspoorten in Nederland vertoevende Palestijnen. Volgens hun verklaringen en de op hen gevonden papieren waren zij van plan om in opdracht van Saiqa - de door de Syrische regering gesteunde Palestijnse verzetsorganisatie - de inzittenden van de Russische wagen van de Warschau-expres, op het moment dat deze zich op weg naar Hoek van Holland op het station in Amersfoort bevond, in gijzeling te nemen. De bedoeling was daarna de Nederlandse regering bepaalde uitspraken af te dwingen met betrekking tot Israël en de Palestijnse kwestie.”

Het pro-Syrische ‘Al Saiqa’
Al Saiqa werd kort na de junioorlog van 1967 opgericht als militaire arm van de ‘Vanguards of the Popular War of Liberation’. Ideologisch volgde ze de lijn van de Syrische Baath-partij; daardoor te beschouwen als instrument van de Syrische regering en in hoge mate afhankelijk van de Syrische inlichtingendienst.
Al Saiqa werd geleid door Zuheir Mohsen, een hoge Syrische legerofficier. Mohsen was tevens een van de topmensen binnen de Palestinian Liberation Organization, waarvan Al Saiqa deel uitmaakt.
Hij was verantwoordelijk voor militaire zaken in het Executief Comité van de PLO. Vanwege de contacten van Al Saiqa met de Syrische inlichtingendienst en gelet op de positie van Mohsen, is het waarschijnlijk dat de Syrische autoriteiten op de hoogte waren van de al Saiqa activiteiten.

Eerdere Saiqa activiteiten in Europa
Op 30 augustus 1973 werden op de luchthaven van Beiroet twee Saiqa leden, die in het bezit waren van wapens, gearresteerd. Het tweetal was van plan naar Bratislava te reizen. Treinen die Joodse emigranten uit Rusland naar het doorgangskamp Schönau in Oostenrijk brachten, stopten in Bratislava.
Op 8 september 1973 werden twee personen, voorzien van Libanese paspoorten door de Oostenrijkse douane aan de grens tussen Tsjecho-Slowakije en Oostenrijk aangehouden en teruggestuurd; ze waren afkomstig uit Bratislava. Op 28 september 1973 kwamen - mogelijk dezelfde - twee personen terug met de trein uit Bratislava; zij waren in het bezit van machinepistolen en handgranaten en gijzelden een drietal treinreizigers. Volgens een door de terroristen meegebracht pamflet behoorden zij tot de organisatie "Eagles of the Palestinian Revolution". Bij deze gijzeling van drie Russische Joden, eisten de terroristen de sluiting van een doorgangsoord voor Russische Joden in Schönau.

De Oostenrijkse regering onder leiding van Bruno Kreisky (zelf Joods) gaf toe.

De Oostenrijkse kanselier Bruno Kreisky heeft op dinsdag 23 oktober 1973 in het Oostenrijkse parlement ervoor gepleit, dat het land door moet gaan met het verlenen van vrije en ongehinderde doorgang aan Russische Joden, die naar Israël reizen. De kanselier zei een en ander tijdens een speciaal debat over de gebeurtenissen van 28 en 29 september, toen twee Arabische terroristen vier personen, onder wie drie Russische Joden, gijzelden. De terroristen lieten de gijzelaars gaan, nadat Kreisky hen had verzekerd dat het doorgangskamp voor Russische Joden, Schönau, zou worden gesloten. Kreisky legde er in zijn rede de nadruk op, dat het nooit een eis van de terroristen is geweest om de joden ongehinderde doorgang via Oostenrijk te belemmeren.
Sinds de gijzeling van 28 en 29 september 1973 is de opvang van Joden in Schönau normaal doorgegaan. De Oostenrijkse regering vraagt zich momenteel af op welke manier de Joden doorgang zal moeten worden verleend, zonder dat zij in het kamp Schönau worden opgevangen. Het landgoed Schönau, sinds 1971 doorvoercentrum voor meer dan 80.000 Sovjet-Joden die vla Oostenrijk naar Israël emigreerden, sluit maandag na het vertrek van de laatste groep. De regering van kanselier Kreisky besloot hiertoe 29 september in ruil voor de levens van vier gijzelaars die door Arabische guerrillastrijders gevangen waren genomen.

Nederland was na Oostenrijk een logisch volgend doel voor al Saiqa omdat het land een prominente rol speelde bij de emigratie van Russische Joden. Nadat de Sovjet-Unie als reactie op de Zesdaagse Oorlog van 1967 de diplomatieke betrekkingen met Israël had verbroken, verzorgde het Nederlandse consulaat in Moskou, en daarmee het ministerie van Buitenlandse zaken in Den Haag, de uitreisvisa van deze groep.

Opleidingscentrum in Moskou
Net als de leden van andere Palestijnse bevrijdingsorganisaties kregen de strijders van Al Saiqa trainingen in de Sovjet-Unie. In het opleidingscentrum van het toenmalige KGB in Balashikha, ten noordoosten van Moskou, leerden ze militaire vaardigheden, maar ook de fijne kneepjes van politieke indoctrinatie. Zeker twee van de vier naar Nederland gestuurde terroristen, Amin Selamih en Joseph Assad Azar, hadden een dergelijke opleiding gevolgd. Selamih verklaarde na zijn arrestatie: "Tijdens mijn opleiding in Rusland tot verzetsstrijder heb ik met allerlei wapens leren omgaan"

Jonathan Haslam, een Britse Professor aan ‘the History of International Relations’ at the University of Cambridge , heeft het in in zijn boek ‘Near and Distant Neighbours’ over trainingen die de Russen sinds september 1973 aan de PLO gaven. Hij vermeldt ook dat de Russen – waarschijnlijk gebruikmakend van de aanwezigheid van de PFLP - wapens verstrekten aan onder meer de Italiaanse ‘Brigate Rosso’ (Rode Brigade) en hen ook les gaven in het maken van bommen.

Tijdens de ochtendbespreking van de BVD, Aurora genoemd, op vrijdag 10 oktober 1975 kwam ter sprake dat het hoofd van de BVD, Andries Kuipers, in Rome enige tijd doorbracht bij de zogeheten Europese cursus. Een BVD-medewerker direct betrokken bij deze verijdelde gijzelingszaak kan zich herinneren dat Kuipers tijdens deze cursus van een Italiaanse collega te horen had gekregen dat er met enige regelmaat wapenleveranties plaatsvonden vanuit de Sovjet-Unie aan terroristische organisaties in Italië, waar de Communistische Partij (Partito Comunista Italiano/ PCI) bij
betrokken zou zijn. In Modena (waar al Saiqa de wapens had opgehaald bij een niet geïdentificeerde Arabier) was de PCI met een percentage van rond de 50% tussen 1946 en 1990 steeds de grootste politieke partij.

Joodse exodus uit Rusland
Al Saiqa pleegde in de jaren zeventig verschillende aanslagen in West-Europa. Die waren onder meer bedoeld om een einde te maken aan de emigratie van Russische Joden naar Israël. De Britse journalist en militair historicus, Colin Smith, verwijst in zijn boek 'Carlos: Portrait of a Terrorist', naar een artikel van eind 1975 in de krant 'The Times', waarin wordt beweerd dat de Sovjet-Unie nadrukkelijk betrokken was bij de in Nederland verijdelde gijzelingsactie door de vier Syriërs, omdat Moskou de braindrain van Joden wilde stoppen.
Nederland heeft zich daar nooit over uitgelaten. Maar hoe is het anders te verklaren dat Mr Aleksandr Rylov van de Russische ambassade in Den Haag contact zocht met het Nederlandse ministerie van Justitie en zijn hulp aanbood bij de identificatie van de Syriërs aan de hand van hun paspoortnummers. Het ministerie hield echter de boot af.

 Nederlands consulaat in Moskou
De analyse van ‘The Times’ was dat indien de treinkaping en de gijzeling van Russische joden was gelukt, de Sovjet autoriteiten druk hadden kunnen uitoefenen op de Nederlandse regering (de Nederlandse ambassade behartigde immers de Israëlische belangen in Moskou) om te stoppen met het afgeven van visa aan Sovjet joden met het doel te emigreren. Niemand had immers belang bij het feit dat deze treinen met joodse emigranten doelwit waren van terroristische aanslagen. Precies dat nu was de reden waarom Bruno Kreisky het opvangkamp Schönau in Oostenrijk had gesloten.

Ook het dagblad ‘De Telegraaf’ waagde zich aan bespiegelingen over de rol van Moskou. Deze krant kopte op 30 oktober 1975:
“Russen speelden vreemde rol in gijzelcomplot”.

“De Russen hebben een merkwaardige rol gespeeld in het onlangs voorkomen complot van de vier Syriërs die hier in Nederland de Russische wagon van een D-trein wilden overvallen en die inmiddels zijn veroordeeld.
De leider van het complot en een van de andere terroristen blijken volledig in de Sovjet-Unie te zijn opgeleid. Het ging hier zowel om een politieke opleiding als om een training in het omgaan met wapens.

Zodra het nieuws van de arrestatie van de vier Syriërs bekend werd, vervoegde een functionaris van de Russische ambassade in Den Haag bij het ministerie van Justitie om de paspoortnummers van de gearresteerden op te vragen. Hij beweerde dat zijn ambassade mogelijk behulpzaam zou kunnen zijn bij de identificatie van de aangehoudenen.
De Nederlandse autoriteiten zijn niet op dit verzoek ingegaan. Onduidelijk is wat de werkelijke motieven van dit Russische aanbod tot assistentie zijn geweest. Onduidelijk is ook waarom de Nederlandse regering de Russische rol zowel bij de opleiding van de Syrische terroristen als bij de ontknoping van het complot geheim heeft willen houden.
Voor ingewijden staat het vast, dat de Nederlandse regering. wanneer de overval, die op het station van Amersfoort had moeten plaatsvinden, zou zijn doorgegaan danig in verlegenheid zou zijn gebracht tegenover de Sovjetregering.

Dit te meer omdat het onzeker was, of de Syriërs zonder het gebruik van springstoffen de Russische slaapwagens hadden kunnen binnendringen. Westelijk van het „IJzeren Gordijn" pleegt de Russische slaapwagenconducteur de toegangsdeuren, ook die naar de andere wagons, afgesloten te houden, behoudens voor het laten in- of uitstappen van passagiers. Aannemende, wat waarschijnlijk lijkt, dat de conducteur niet in het complot zat, zou deze waarschijnlijk niet hebben opengedaan en zou een kleine springlading nodig zijn geweest om de deuren te forceren. De Syriërs hadden daartoe springstoffen bij zich.

Dit alles zou de Nederlandse regering in de positie hebben gebracht dat zij tegenover de Sovjetregering haar leedwezen had moeten betuigen, maar in de praktijk gebruiken de sovjets dergelijke situaties altijd om er een voordeeltje uit te slaan en vermoedelijk zou ons land gedwongen zijn het verstrekken van consulaire faciliteiten aan emigrerende Russische joden op onze ambassade in Moskou te beperken.

Wilden Russen Den Haag in verlegenheid brengen?
De aanwijzingen stapelen zich op dat de Russen zelf meer hebben geweten van de plannen van de vier gearresteerde en inmiddels veroordeelde Syriërs, die in de Russische slaapwagon van de D-trein uit Hoek van Holland gijzelaars hadden willen nemen. Het wordt niet uitgesloten en zelfs waarschijnlijk geacht dat de Russen via deze Syriërs Nederland als consulaire zaakwaarnemer voor Israël in Moskou, tot iets hadden willen dwingen, mogelijk tot het beperken of zelfs stopzetten van de uitgifte van inreis- of doorreisvisa voor joden die uit de Sovjet-Unie naar Israël willen emigreren.”

Reactie Binnenlandse veiligheidsdienst
Dat ‘De Telegraaf’ hier een punt had, bleek uit het feit dat de top van de BVD reageerde als door een wesp gestoken. De BVD was namelijk van mening dat er sprake moest zijn van een lek. (Aurora vrijdag 31 oktober 1975).
Of er daadwerkelijk sprake was van een lek en waar dit lek zich zou moeten bevinden is niet eenvoudig te achterhalen. Wel werd met grote spoed door de BVD onmiddellijk contact opgenomen met het hoofd van de afdeling Voorlichting van Buitenlandse zaken om een gezamenlijk persbeleid af te spreken.

Nederlandse regering capituleert niet
Nederland had even getwijfeld wat het met de arrestanten moest doen, gaf minister van Justitie Dries van Agt destijds toe voor de televisiecamera’s. Berechten of uitwijzen? De vier beschikten over Syrische paspoorten (pikant detail: in twee van de vier stond als beroep ‘vrijheidsstrijder’ vermeld). Maar de kans bestond dat Damascus zou ontkennen dat die documenten echt waren. Dan konden de mannen niet worden uitgewezen.
En waarom zou je eigenlijk voor die weg kiezen? De vier in Nederland gevangen houden hield het risico in dat sympathisanten hier acties zouden gaan ondernemen met hun wapenbroeders als inzet. Van Agt noemde een mogelijke uitwijzing daarom ‘wijken voor terreur die nog niet eens realiteit is, maar waarvan je vreest dat die zou kunnen komen; dat is weer een stap verder in de capitulatie voor terreur.’

Berechting
Al voordat het Palestijns terrorisme in september 1969 ook in Nederland had toegeslagen, was in november 1968 de relatie van de BVD met de Israëlische inlichtingendienst bestendigd en versterkt. Zo verleenden Mossad-medewerkers ook hulp bij de vertaling van de verklaringen die de vier in ons land gearresteerde terroristen aflegden bestemd voor de rechtbank.
De in Libanon geboren Josef Asad Azar, bijgenaamd Homcy, liet in gesprekken met de BVD en de Mossad doorschemeren dat hij en zijn vriend Amin Selamih goede contacten hadden met ‘al Saiqa’ en de PLO in Damascus of dat zij zelfs deel uitmaakten van de inlichtingendienst van de PLO.
Op de zitting zelf werd nog eens duidelijk dat de Syriërs van plan waren geweest de in beslag genomen wapens ‘metterdaad’ te gebruiken.

Volgens de rechtbank verklaarde Selamih het volgende:

"Op of omstreeks 22 augustus 1975 kwam ik samen met Josef Asad Azar per auto uit Italië in Amsterdam. In Italië hebben wij de wapens gekocht. In opdracht van een onderafdeling van de PLO in Damascus - waarvan ik lid ben - moesten wij, Selamih en Azar, in samenwerking met twee andere strijdmakkers, Abdullah Ataya en Abdul Satar Ammar, aandacht vragen voor de Palestijnse kwestie en eventueel gezamenlijk een gijzelingsactie ondernemen.”

Desondanks woog de rechtbank de beoogde gijzeling in het uiteindelijke vonnis niet mee, omdat er nog geen begin was gemaakt met de uitvoering van die actie. De vier werden wegens overtreding van de Vuurwapenwet op 8 oktober 1975 veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.



Geen opmerkingen:

Communicatiebeleid AIVD moet op de helling

Communicatiebeleid AIVD moet op de helling Inleiding  Wanneer wetenschapper Bart van der Sloot een telefoongesprek met de AIVD zodan...